Spraak en taalproblemen

Printervriendelijke versie

Spraak en taal

Spraak en taal zijn verschillende begrippen, maar hebben veel met elkaar te maken. Taal is een systeem van symbolen, zoals je moedertaal en buitenlandse talen. Maar ook gebarentaal, lichaamstaal of pictogrammen op het station zijn talen die gebruikt worden om gebeurtenissen, emoties en mededelingen aan elkaar duidelijk te maken. Spraak is de meest menselijke manier om taal te gebruiken. Maar door middel van schrijven, tekenen en gebaren kan ook een boodschap overgebracht worden. De spieren van de spraakorganen worden vanuit de hersenen aangestuurd. De boodschap die door middel van spraak overgebracht gaat worden, wordt in het taalcentrum van de hersenen gedecodeerd in correcte zinnen en woorden. Als er een antwoord van de ander komt, decodeert het taalcentrum dat in begrijpelijke informatie voor de luisteraar. Om te kunnen luisteren naar de ander en om zichzelf te kunnen corrigeren tijdens het praten heeft de mens een goed werkend gehoor nodig.

Bij heel jonge kinderen kun je al beginnen te communiceren met gebaren. Via onderstaande link zijn fimpjes te zien van alle gebaren van dagelijkse dingen zoals familie, feestdagen, emoties, eten en drinken etc.
www.video4all.nl/src/vpg_main.php?pn=gebaren&dom=viavideo.nl

Vertraagde spraak en taalontwikkeling

Men spreekt van een vertraagde spraak-taalontwikkeling als de spraak en taal van het kind duidelijk achterblijft bij die van leeftijdgenootjes. Het kind spreekt (nog) niet of opvallend minder; het spreekt in onvolledige zinnen, kromme zinnen, het spreken in minder goed verstaanbaar,  en soms begrijpt het kind niet altijd wat er wordt gezegd. Een vertraagde spraak/taalontwikkeling kan samenhangen met andere stoornissen zoals slechthorendheid of een algehele ontwikkelingsachterstand. Ook komt het voor dat er geen duidelijke oorzaak voor gevonden wordt. Een vertraagde spraak/taakontwikkeling geeft vaak problemen; het kind wordt door de omgeving niet begrepen en het kan zich niet goed uiten. Dit kan tot gedragsproblemen leiden.

Signalering van een spraak/taalprobleem kan door de ouders zelf gebeuren of door twijfels bij de leerkracht of de leiding van een peuterspeelzaal of kinderdagverblijf. Vaak worden de problemen gesignaleerd door de consultatiebureau-artsen, kinderartsen of tijdens de logopedische screening van de GGD in groep 2 van de basisschool.

De spraak/taalontwikkeling wordt hier als geheel besproken en heeft erg veel met elkaar te maken. Er zijn natuurlijk ook kinderen die een goede taalontwikkeling hebben, maar klanken niet goed uit kunnen spreken of kinderen die een slechte taalontwikkeling hebben, maar wel goed en verstaanbaar kunnen spreken.

Articulatieproblemen

Bij articulatieproblemen wordt vaak de verstaanbaarheid negatief beïnvloed. Er is onderscheid te maken tussen fonologische articulatie problemen en fonetische articulatieproblemen.

Wanneer een kind een bepaalde klank niet goed of helemaal niet kan uitspreken hebben we te maken met een fonetische articulatiestoornis. Een vaak voorkomend fonetisch articulatiestoornis is een verkeerde uitspraak van de /s/ en de /z/ (ook 'lispelen' of 'slissen' genoemd). Bij een fonologische articulatiestoornis kunnen de klanken wél gevormd worden, maar kunnen de kinderen de klanken niet correct gebruiken bij het maken van woorden. Het kind kan bijvoorbeeld wel de /l/ zeggen in het woord lepel, maar niet in het woord ballon.

Primaire en secundaire taalontwikkelingsstoornissen

Onder taalontwikkelingsstoornissen vallen al die stoornissen in de opbouw van het taalsysteem, ten gevolge waarvan het taalbegrip en/of de taalproductie zich, in vergelijking met kinderen van dezelfde ontwikkelingsleeftijd, langzamer of anders ontwikkelen. Bij primaire taalontwikkelingsstoornissen is de taalstoornis niet te verklaren vanuit gehoor, cognitieve, neurologische of emotionele problemen. Er is ook geen sprake van tekortschietend taalaanbod, zoals soms in het geval van kinderen die Nederlands als tweede taal hebben. De redenen waarom het kind, ondanks goede medische, cognitieve en andere pedagogische- en psychologische uitgangspunten, toch een taalstoornis ontwikkelt, zijn soms moeilijk te achterhalen. Bij secundaire taalontwikkelingsstoornissen is de taalstoornis wel te verklaren vanuit gehoor, cognitieve, neurologische , emotionele problemen of een tekortschietend taalaanbod.

Meertaligheid

Men spreekt van twee- of meertaligheid wanneer kinderen tijdens hun ontwikkeling in aanraking komen met meer dan één taal. Meer talen aanbieden is meestal geen probleem. Kinderen die vanaf hun geboorte tweetalig worden opgevoed, leren die talen net zo goed als kinderen die één taal leren. Wanneer er een stoornis of achterstand is in de eerste taal, zal ook de tweede taalontwikkeling verstoord verlopen. Tengevolge van een wisselend, gebrekkig of onvoldoende taalaanbod in een bepaalde taal is de meertalige ontwikkeling soms een moeilijk proces. Een taalachterstand resulteert vaak in een leerachterstand waardoor de schoolcarrière van deze kinderen gevaar loopt. Ook de uitspraak kan problemen geven, waardoor een kind moeilijk verstaanbaar is voor anderen. Dit kan problemen geven in de communicatie. Vroegtijdige onderkenning van de taalproblemen in de voor- en vroegschoolse periode en begeleiding van de kinderen en hun ouders, bevordert de taalontwikkeling en verbetert de kansen van deze kinderen. Als er sprake is van een spraak- en taalstoornis, is er begeleiding nodig die zich richt op communicatieproblemen en verstaanbaarheid in het Nederlands en de moedertaal. Voor dit laatste is samenwerking met de omgeving vereist.

Diagnostiek

Diagnostiek in de Kinderpraktijk gaat doormiddel van testen. Voor het testen wordt gebruik gemaakt van gestandaardiseerde testen. Relevante testen die in de kinderpraktijk worden gebruikt zijn o.a.:

  • Reynell test voor taalbegrip
  • Schlichting test voor taalproductie
  • CELF4, een compleet onderzoek naar de taalvaardigheid.

Verder wordt voor de hele jonge kinderen (tussen 12 en 21 maanden) de NNST (Nederlandse Nonspeechtest) gebruikt. Met deze test wordt het communicatieniveau in ‘kaart’ gebracht. Ook zijn er N-CDI lijsten (lijst voor de communicatieve ontwikkeling) die ingevuld kunnen worden door ouders/verzorgers van een kind tussen 8 en 30 maanden.  

Daarnaast wordt de Logo-art articulatietest gebruikt voor kinderen met articulatieproblemen.